Weer verder met Peter Verhelst; ‘Mondschilderingen’.
‘Zijn stappen op de houten trap, maar trok ik de deur lachend open, was er
niemand. Waarna ik
hem langs me heen voelde gaan. Ademloos. Stokstijf. Een vingertop op mijn
ruggenwervels. Mijn
handen hingen weerloos in de lucht. ’s Nachts legt het water twee zwarte armen
rond de stad en
stijgt er een vreemde mist op uit de straatstenen. Flarden. Opkringelend. Als
sigarettenrook. Soms
glijden er schaduwen over de daken, maar misschien zijn het alleen maar wolken.
Misschien. Is dit
een stad vol mogelijkheden of vol onmogelijkheden? Vragen. Is de essentie van de
vraag het ant-
woord of de vraag zelf?
Zag hij mij?
Als de nachtelijke mist oplost, wordt voedsel de stad binnengebracht. Mannen die
kort van stof zijn,
lopen met hele of halve dieren op hun gekromde rug vrachtwagens in en uit.
Vrouwen met rozige
armen knippen de vinnen van de vissen en gooien het glibberige afval op een hoop,
terwijl ze luid-
keels hun waar aanprijzen.’
(Bladzijde 44-45) Morgen verder met ‘Mondschilderingen’.