Weer verder met Peter Verhelst; ‘Mondschilderingen’.
‘Het zijn niet alleen herfstbladeren die naar de bodem van de Lac d’Amour
zinken. We weten dat alles
minder weegt in water. Ook verdriet.
Het is een stilzwijgende afspraak dat we één keer per jaar stroomopwaarts gaan,
als de nacht is geval-
len. Onherkenbaar. Anoniem. In sommige landen verbergt men zich achter maskers en
vermommingen.
Wij houden van het uur waarop de lucht dik wordt en zwart. Meer kleren heb je
niet nodig.
Ik hou ervan om de straatlichten te ontwijken, om van schaduw naar schaduw te
springen, omdat het me
een onderdeel maakt van de nacht. Af en toe zie ik andere lichamen opflitsen die
ook op weg zijn naar
het donkere hart van de stad.
Overal bewegen voeten. Geruisloos als kattenpoten. Op de straten. Over de
daken. Af en toe staan we
roerloos, met gesloten ogen, te luisteren en de lucht met de neus af te tasten.
Als waterspuwers, hangend
aan de muren. Waarna we opnieuw de roep volgen van ons bloed.’
(Bladzijde 49) Morgen verder met ‘Mondschilderingen’.