Weer verder met Peter Verhelst; ‘Mondschilderingen’.
‘s Avonds hebben de klanten geen kinderen en zijn ze minder in gebouwen
geïnteresseerd.
Af en toe suggereer ik wat zich achter de muren afspeelt en als ze hun oren
spitsen, weet ik
dat ik beet heb. Of het mannen zijn of vrouwen is niet belangrijk. Ze beginnen te
fluisteren en
springen gretig op enkele achteloos door mij rondgestrooide woorden. Lokaas. Niet
te veel om
de honger aan te scherpen. Ik zet hen af bij een gebouw dat in niets te
onderscheiden is van
andere, maar ik weet dat het belangrijkste deel zich onder de grond bevindt. Een
wirwar van
gangen waar metalen tuigen staan opgesteld die hongerig zijn naar vlees en geld.
Ik kan het
weten. Ik heb er nog gewerkt. Ik heb er de koortsige blikken leren kennen van
mensen die op-
winding met gevaar associëren. Mensen die ervan houden hun hele bezit in te
zetten om de
opwinding te voelen alles te kunnen verliezen. Of te winnen. De roes.
Ze stappen af, overhandigen me een stapel biljetten en haasten zich naar
binnen.’
(Bladzijde 56) Morgen verder met ‘Mondschilderingen’.