Weer verder met Peter Verhelst; ‘Mondschilderingen’.
‘Ze zijn soms nauwelijks van dagmensen te onderscheiden. Details. Af en toe
weiger ik iemand,
omdat hij te dronken is of omdat ik een wapen vermoed. Ik heb ondanks mijn
leeftijd genoeg er-
varing en overtuigingskracht. En als die niet volstaan, vertrouw ik op het wapen
dat ik onder mijn
jas draag, of op het fluitje dat ik altijd onder mijn tong houd: te klein om op
te merken, te hoog van
klank om door mensenoren te worden gehoord. Als het te hachelijk wordt, hoef ik
de juiste code
maar te fluiten. Ergens slaat een hond aan en de eigenaar ervan weet mij
blindelings te vinden. Straat,
aantal belagers: uit het blaffen van de hond is alles af te leiden. Ik zet
ondertussen mijn angstigste
gezicht op, smeek en bid om tijd te winnen en spits ondertussen mijn oren.
Ze verwachten nooit dat iemand uit de dakgoot in hun nek springt. We gooien
het lichaam in de
koets en op een plek die ik om voor de hand liggende redenen liever geheim houd,
schuiven we het
lichaam het zwarte water in. De ratten zijn er vetter dan de biceps van mijn
vrienden.’
(Bladzijde 57) Morgen verder met ‘Mondschilderingen’.