Weer verder met Peter Verhelst; ‘Mondschilderingen’.
‘Ik leg een plaid over mijn benen en trek mijn hoofd in mijn kraag, zoals een
vogel zich in
zijn veren terugtrekt.
Wachten. Altijd wachten.
Als ze uren later de koets in duiken, weet ik onmiddellijk of het lot hun
gunstig gezind is
geweest.
Ik vraag me soms af of ze weten dat zij het niet zijn die beslissen over winst
of verlies,
maar het humeur van de croupier. In een stad die op de zee werd veroverd, kent
men de
kneepjes om de zwaartekracht te manipuleren.
Op warme avonden schuif ik het sterrendak over mijn koets: aan de binnenkant heb
ik de
zwartfluwelen kap beschilderd met taferelen uit de ‘Encyclopedie van de
Liefde’. De flanken
van het paard bestrooi ik met diamantstof en rond de voeten bind ik doeken.
Ze komen uit de schaduw, betalen en stappen in.
De koets schommelt door de verlaten straten.
Ik neurie om hen niet te horen.
En dan zijn er nog de mannen en vrouwen die voor de nacht zijn gemaakt.’
(Bladzijde 56-57) Morgen verder met ‘Mondschilderingen’.