Weer verder met Peter Verhelst; ‘Mondschilderingen’.
‘Tot zover de lichamen. De feiten. Maar laat u niet misleiden. Er gebeurt niet
noodzakelijk wat er
in huizen gebeurt waarvan de neonlampen de hele straat in een ziek licht
dompelen. Meer nog.
Wie de plek betreedt – die gitzwarte plas, die Lac d’ Amour – weet niet
noodzakelijk wat er aan
de andere kant op hem of haar wacht. Hoe veelkoppig het is. Hoe verslindend. Hoe
verslavend.
Nadat ik het hele marktplein had afgezocht, keerde ik naar huis terug. Naar de
tijgerlelie in de
vaas op het nachtkastje onder het licht dat dag en nacht brandde. Niet te dicht
bij de bloem om
die niet te verschroeien. Niet te ver om van dat licht te kunnen drinken.
Verhoudingen. Afstanden.
De bloem ontplooide zich. En bleef zich ontplooien. Letterlijk en figuurlijk. Nam
bezit van het huis.
De geur ervan drong elke kamer binnen. De bloemblaadjes krulden zich als lippen,
als een tong,
als een geslacht, mannelijk en vrouwelijk tegelijk. Uitstulpingen.’
(Bladzijde 58-59) Morgen verder met ‘Mondschilderingen’.