Weer verder met Peter Verhelst; ‘Mondschilderingen’.
‘Een lichaam dat zich binnenstebuiten keerde. Een vulkaanmond waaruit vlees
stroomde. Een
overstromende kaars.
Ik hoefde nauwelijks dichterbij te komen. Overal op mijn kleren vond ik
stuifmeel. Alsof de bloem
wellustig naar me ‘likte’ als ik voorbijliep.
Ik weet niet of het door het slaaptekort kwam of door de chemische samenstelling
van de lucht in
mijn huis, dat ik zag wat ik zag. Ooit heb ik iemand op het marktplein met een
piepkleine pen een
naam zien schrijven op een rijstkorrel. De rijstkorrel stopte hij in een glazen
kokertje dat rond de
hals gedragen werd als een buisje vol cyaankali. Wat ik bedoel: als ik
voorzichtig, behoedzaam,
mijn hoofd naar de bloem bracht, tegen het licht in, zag ik iets wat te
wanordelijk was om nerven
te zijn. Altijd respecteert de natuur een orde. Dat was wat ik mezelf voorhield.
Altijd. Dus was dit
onmogelijk. Onnatuurlijk. Door mensenhanden gemaakt.
Gejaagd zocht ik de loep. Knielde voor de bloem neer. Bracht het gebogen glas
dichterbij. Zocht
naar de juiste afstand en begon te lezen.’
(Bladzijde 59) Morgen verder met ‘Mondschilderingen’.