Weer verder met Peter Verhelst; ‘Mondschilderingen’.
‘Ze is er niet meer. Op de straatstenen ligt een bloem. Enkele meters verder
ligt een andere bloem.
Ik twijfel geen seconde.
Waar de laatste bloem ligt, begint de duisternis.
Ik adem diep in, sluit de ogen en spring. Met volle kracht. Juichend.
Gelieve mij nooit te geloven. Ik zeg: ‘Ik heb mijn kleren uitgetrokken. Kijkt u
maar.
Je opent de ogen en je ziet een aangekleed meisje en tegelijk is ze naakter dan
je ooit hebt gezien,
gekleed als ze is in leugens. Veelkleurige sluiers die ik één voor één op de
grond laat vallen, waar-
door je bloed almaar heviger aan het zingen gaat. Sluier na sluier. Bloemblad na
bloemblad.
Hoe meer je liegt, hoe naakter je wordt. Ik kan liegen tot mijn vel vliesdun
is geworden als een
jurk die je tegen het licht ophoudt.
Bij elke beweging laat ik variaties van de waarheid zien, die naargelang de
lichtinval flonkeren of
in onmogelijke kleuren uitbarsten of delicaat zijn als winterlicht.’
(Bladzijde 61-62) Morgen verder met ‘Mondschilderingen’.