Weer verder met Peter Verhelst; ‘Mondschilderingen’.
‘Ze gaat op bed liggen en sluit de ogen.
Ik wacht tot ze de ademhaling van de kamer in zich opgenomen heeft. Plots gaat ze
overeind
zitten en vraagt: ‘Ben je een jongen of een meisje?’
Ik antwoord: ‘Soms.’
Ze strekt zich opnieuw uit.
Ook ik sluit mijn ogen en begin traag als een kaarsvlam te heupwiegen. Een bloem
die door
de ademhaling van de wind haar eerste blad verliest. Sluier na sluier. De
ritssluiting knettert als
haartjes. Ze legt haar armen langs haar hoofd.
Ik kniel neer en buig over haar heen. Mijn wang boven haar mond. Mijn hoofd
traag bewegend
van links naar rechts. Tot ik de eerste woorden voel komen: ‘Nadat ik het hele
marktplein had af-
gezocht, keerde ik naar huis terug. Naar de tijgerlelie in de vaas op het
nachtkastje onder het licht
dat dag en nacht brandde.’
Ze fronst de wenkbrauwen en glimlacht. Weet ze dat die woorden zolang in mij
gerijpt zijn, als drui-
ven?’
(Bladzijde 67-68) Morgen verder met ‘Mondschilderingen’.