Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 9
‘De idylle van Bad Driburg en de maanden erna in Frankfurt vormden een contrast
met de oorlogsverrichtingen
die de in zijn liefde ingesponnen Hölderlin niettemin met een wakker politiek
zintuig tot zich nam. Aanvankelijk
volgde hij de opmars van de Fransen met sympathie, wat hij overigens bij de
Gontards, waar men weinig op had
met revolutie en republiek, waarschijnlijk niet liet merken. Maar tegenover zijn
broer kon hij zich vrij uiten: ‘Jou, mijn
Karl, kan de nabijheid van een zo kolossaal schouwspel als de reuzenstappen der
republikeinen innig sterken’ ( 6
augustus 1796; MA II, 626). Nadat duidelijk geworden was dat de Franse troepen
niet als bevrijders gekomen waren,
schreef hij aan zijn broer: ‘Je zult me minder revolutionair terugzien […] Ik
wil niet veel over de politieke ellende zeggen.
Ik ben sinds enige tijd zeer zwijgzaam over alles wat er bij ons gebeurt’ (13
oktober 1796; MA II, 629).’
(Bladzijde 136) Morgen verder met dit hoofdstuk 9.