Weer verder met ‘Hölderlin,biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 11
‘Böhlendorff was niet alleen een politieke, maar ook een poëtische
persoonlijkheid, aan wie Hölderlin later zijn
belangrijkste poëtologische brieven zou schrijven. Hij had een dweperig karakter
en kon maar moeilijk aarden
in een burgerlijk beroep. Hij keerde later naar Koerland terug, waar hij een
rusteloos bestaan leidde. In 1825 be-
roofde hij zich van het leven.
Teruggekeerd uit Rastatt schreef Hölderlin aan Sinclair: ‘Mijn geloof en
moed zijn zeer toegenomen, sinds ik
uit Rastatt terug ben’ (24 december 1798; MA II, 722). Hij bedankte hem voor de
nieuwe vrienden die hij had ge-
maakt, dat was voor hem een geschenk dat hem deed ‘juichen’, omdat hij
eindelijk ‘ook nog anderen kon noemen,
als getuigenis tegen mijn eigen twijfelende hart, dat soms aan de zijde van het
ongelovige plebs wil treden en de
god wil loochenen die in de mensen is’ (id.). Die ‘god’ was voor hem op dat
ogenblik de geest van de vrijheid die
hem in die weken bevleugelde.
In de nacht van oud op nieuw, 1798-1799, legde hij in een van zijn langste
brieven die hij ooit geschreven heeft
aan zijn broer de betekenis en de grenzen van de poëzie in politiek heftige
tijden uit.’
(Bladzijde 161) Morgen verder met dit hoofdstuk 11.