Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 11
‘In de achttiende eeuw, die de Verlichtingsdenkers de ‘socratische eeuw’
noemden, paste het een auteur die over
enig gevoel van eigenwaarde beschikte om de dood van Socrates hoe dan ook tot
onderwerp te maken. Socrates
als martelaar van de waarheid, als deugdzame held, die leefde zoals hij leerde,
als verlichter in de strijd tegen fana-
tisme en kortzichtigheid, als held van het geloof aan de onsterfelijkheid van de
ziel, kortom: Socrates als het hei-
dens – klassieke alternatief van Jezus. Die akker werd ijverig bewerkt, en
misschien juist daarom zag Hölderlin ten
slotte af van de verwezenlijking van dat plan. Maar waarom nu dan wel ‘De dood
van Empedocles?’
In tegenstelling tot Socrates had Empedocles aan het eind van de achttiende
eeuw geen bijzonder goede naam.
De enkele overgeleverde fragmenten van zijn filosofie tonen dan wel aan dat hij
een van de presocratische natuur-
filosofen was, maar wat Diogenes Laërtius, Hölderlins enige bron, verder nog
over hem weet te vertellen, werpt een
dubieus licht op hem.’
(Bladzijde 163-164) Morgen verder met dit hoofdstuk 11.