Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 17
‘Toen ze dat schreef, in 1840, was het in elk geval wel zo. Ze had Hölderlin
voor zichzelf ontdekt en was er trots
op, en hij bleef voor haar van het allergrootste belang, vooral religieus.
Bettine was de traditionele godsdienstige
vroomheid kwijtgeraakt en had bij de romantici, vooral bij de theoloog en
filosoof Friedrich Schleiermacher, de re-
ligie leren kennen en waarderen die boven confessie en kerk uitsteeg; maar in
Hölderlin ontdekte zij een soort we-
dergekeerde Christus: de een weer gekruisigd, de ander, de dichter van de Griekse
goden, was krankzinnig gewor-
den door de botte en kille samenleving. Zijn ziel was te ‘verfijnd’ ingericht
geweest, schrijft ze.
Als we Bettines voorstelling van zaken moeten geloven, dan heeft ze er al die
jaren een half religieuze cultus rond
Hölderlin op na gehouden. Ze was op het dak geklommen om Hölderlins versregels
uit de Sophocles-vertaling naar
de nachtelijke hemel te zingen, ‘en dan weet ik dat ook ik door de muze
aangeraakt ben en dat ze me troost’ (id., 431).
Van Hölderlin heeft ze geleerd, schrijft ze, dat de taal goddelijk is; dat we
ons geestelijk leven aan de taal te danken heb-
ben; dat we haar daarom met eerbied en dankbaarheid moeten behandelen. In de
poëzie celebreren we die dankbaar-
heid. Poëzie is godsdienst.’
(Bladzijde 257-258) Morgen verder met dit hoofdstuk 17.