Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 17
‘De carrière van de gedachte ‘De mens is niets anders dan…’ nam een
aanvang. Voor de Romantiek, het is
bekend, begon de wereld al te zingen als alleen maar het toverwoord raak was. De
poëzie en de filosofie van
de eerste helft van de eeuw vormden een meeslepend project om steeds nieuwe
toverwoorden te vinden of
te bedenken. Maar de overheersende prozaïsche gezindheid in de tweede helft van
de eeuw koesterde wan-
trouwen jegens het romantische, metafysische of anderszins uitbundige. Het
realisme en het wetenschappelijk
gefundeerde naturalisme van de tweede helft van de eeuw kreeg het voor elkaar
klein over de mens te denken
en toch iets groots met hem te ondernemen, als je de moderne wetenschappelijke
beschaving, waarvan we alle-
maal profiteren, ‘groot’ wilt noemen. In elk geval begon in de laatste drie
decennia van de negentiende eeuw de
jongste moderne tijd met een gezindheid die een hekel had aan alles wat
overspannen en fantasierijk was.
De zegetocht van het positivisme en het materialisme was niet te stuiten met
wijze tegenwerpingen, vooral niet
omdat er een bijzonder metafysicum aan werd toegevoegd: het geloof in de
vooruitgang.’
(Bladzijde 263) Morgen verder met dit hoofdstuk 17.