Weer verder met Peter Verhelst; ‘Mondschilderingen’.
‘Op een dag heb ik er een roodborstje zich zien wassen met het binnenvallende
zonlicht. Op
datzelfde ogenblik weerklonk de eerste kinderstem. Toen het orgel losbarstte,
vloog het rood-
borstje naar het glasraam en landde in het armen van Christus. Een klein,
beweeglijk hart. Denk
ik. Hoewel ik nu misschien het verkeerde woord gebruik. Wij laten ons verstand
doorgaans bij de
ingang van de kathedraal staan, zoals islamieten dat doen met hun schoenen bij de
ingang van de
moskee. Ik vermoed dat wij zo graag in de kathedraal zitten omdat wij hier
schaamteloos kunnen
verlangen naar iets wat tegelijk dun is als klanken uit een kinderkeel, iets wat
trilt in je buik als or-
gelmuziek, in je neus prikt als de wierookdampen, flikkert als een godslamp,
glanst als kazuifels
en het liefst dit alles tegelijk. Kortom: alles wat zwaar of licht genoeg is om
op een wonder te lijken.
Zo zijn we. Betover ons. Maar overdrijf niet. We zijn zo vlug bang. Kijk maar
naar al die kaarsen.
Kijk ’s nachts naar al die bleke gezichten achter de ramen.’
(Bladzijde 19-20) Morgen verder met ‘Mondschilderingen’.