Weer verder met Peter Verhelst; ‘Mondschilderingen’.
‘Op het marktplein staat een gebouw dat op dierenhuiden is gebouwd. Wordt er
gezegd.
Alles is mogelijk in een stad waar een wever en een slager een revolutie kunnen
ontke-
tenen. Het gebouw staat symbool voor onze onafhankelijkheid. Wordt er gezegd. Wie
de
trappen opklautert, krijgt een adembenemend uitzicht op de omgeving. Terwijl de
wind aan
je haren rukt, zie je de zee. Toen ik een kind was, liet ik mijn kin rusten op de
koude stenen
en verbeeldde me dat een albatros me aan de haren van het balkon zou plukken om
me de
wereld te laten zien. Nu weet ik dat de wereld in je hoofd zit en dat je met
gesloten ogen soms
meer ziet dan als je ze openhoudt. Kijk maar. Een meisje zat gehurkt tegen de
muur. Ze hield
het hoofd van haar broertje voorzichtig vast. Zo zaten ze daar met een oor tegen
de muur. Ern-
stig. Fronsend. Met gesloten ogen. Terwijl iedereen gehaast langs hen heen liep.
Minutenlang
bleven ze zitten. Toen ze, gelijktijdig, hun oor van de muur losscheurden, keken
ze elkaar ge-
schrokken aan. Begonnen te giechelen, waarna ze opnieuw hun oor tegen de muur
legden.’
(Bladzijde 20-21) Morgen verder met ‘Mondschilderingen’.