Weer verder met Peter Verhelst; ‘Mondschilderingen’.
‘Je strekt een arm uit, met gestrekte vingers, alsof je een handpalm op een
gezicht legt. Je
houdt de adem in, telt tot drie en springt. De asfaltzwakte duisternis in. Almaar
dieper. Als in
een nachtelijke rivier. Tot je eindelijk de bodem hebt bereikt. Zijn het vissen
die langs je heen
strijken? Wieren? Het is een mond. Op jouw mond. Een kus die je lippen overmant.
Zo warm,
dat zelfs de gedachte eraan voldoende is om je hoofd in lichterlaaie te zetten.
Zo overweldigend
dat het onmogelijk is om die gedachte in je hoofd te houden.
Kan het zijn dat die gedachte dat glimlachende gezicht nu ontstijgt? Hoger en
hoger? En dat ze
daar, ongrijpbaar, vliesdun, als een zeepbel boven je reikende handen in de lucht
schommelt? En
dat je die gedachte nakijkt, tot ze onzichtbaar is geworden? Dat je dan plots het
hoofd schudt, fron-
send, en dat je verwonderd om je heen kijkt, terwijl je je afvraagt waarom je op
straat staat?
Is het mogelijk dat die gedachte, omgeven door een vlies, ’s nachts over de
stad drijft?’
(Bladzijde 69-70) Morgen verder met ‘Mondschilderingen’.