Weer verder met ‘Gedichten van Friedrich Hölderlin’ vertaald
door Ad den Besten.
Verder met
‘De schijnheilige dichters
Gij kille huich’laars, spreekt van de goden niet!
Gij hebt verstand, gelóófd niet in Helios,
noch in de Donder – of de Zeegod;
dood is de aarde, – wie zou haar danken?
Maar weest gerust, o goden! al vloeide ook
de ziel weg uit uw namen, gij siert het lied;
en is er een groot woord van node,
Moeder Natuur! dan gedenkt men ú weer.’
(Bladzijde 77) Dit is gedicht 7. Morgen verder met ‘Vroeger en nu’ en ‘De
kortheid’.