Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 4
‘De Klassieke Oudheid was bij het ontwikkelde publiek zo populair dat
Schiller, die zelf met zijn ‘Braut von
Messina’ teruggreep op het klassieke theater, waarschuwde voor de hoge koorts
van de graecomanie. De
Klassieke Oudheid was in de mode, maar dan als artistiek en niet als religieus
fenomeen. Bijna niemand nam
de Griekse godenwereld in religieuze zin serieus. De mythen werden wel gebruikt
als thema, maar het mythische
bewustzijn was nog niet herontdekt.
Bij Hölderlin is dat anders. Hij staat op het punt de Griekse Klassieke
Oudheid voor zichzelf te ontdekken, niet
als onderwerp van algemene ontwikkeling, maar als mythisch-religieuze
geestesgesteldheid, die voor hem steeds
meer existentiële betekenis zal krijgen.
In 1788 baarde Schillers gedicht ‘De goden van Griekenland’ opzien. Het
was een van de invloedrijkste gedichten
uit die periode, bij literatoren, filosofen en theologen, en bij geestelijken,
die er een belastering van het christelijk ge-
loof in zagen. Ook op Hölderlin maakte het gedicht grote indruk. Het hielp hem
het onderscheid te zien tussen zijn
eigen geestdrift voor de klassieken en de ‘graecomanie’ van de anderen.’
(Bladzijde 63-64) Morgen weer verder met dit hoofdstuk 4.