Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 11
‘’Empedocles, door zijn gemoed en zijn filosofie al lang geneigd tot
cultuurhaat, tot verachting van alle zeer gerichte
zaken, van alle op verschillende dingen gerichte belangstelling, een doodsvijand
van alle eenzijdige leven, en daar-
om ook in feitelijk aangename omstandigheden onbevredigd, ongedurig, lijdend,
enkel omdat het bijzondere omstan-
digheden zijn en alleen in een algemene harmonie met al het levende ervaren hem
helemaal vervullen, enkel omdat
hij niet met een overal aanwezig hart innig, als een god, en vrij en uitgebreid
als een god erin kan leven en liefhebben,
enkel omdat hij, zodra zijn hart en zijn denken het voorhandene omvatten, aan de
wet van de opeenvolging gebonden
is’ (MA I, 763).
De ‘cultuurhaat’ van Empedocles: hij staat op vijandige voet met het
grondbeginsel van de burgerlijke, misschien zelfs
van elke samenleving, namelijk met het beginsel van de arbeidsverdeling. Iedereen
voert zijn specifieke taak uit en moet
daarom eenzijdig worden. Empedocles is de ‘doodsvijand van alle eenzijdige
leven’. Hij is daarmee een vijand van juist
die omstandigheden die Hyperion in zijn filippica tegen de Duitsers gehekeld
heeft: ‘Je ziet handwerken maar geen men-
sen […] – is dat niet als een slagveld, waar handen en armen en alle ledematen
in stukken door elkaar liggen, terwijl het
vergoten levensbloed in het zand wegvloeit?’ (MA I, 754 ev.).’
(Bladzijde 165-166) Morgen verder met dit hoofdstuk 11.