Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 13
‘Hölderlin wist dat hij Schiller medeverantwoordelijk maakte als hij van hem
hulp verwachtte voor de levensred-
dende wending: ‘Misschien zal het u niet geheel zonder waarde lijken in iemand
door wie u zeer wordt vereerd,
een nieuwe levensvreugde, van u afkomstig, te zien ontkiemen’. Die
levensvreugde kon weer ontwaken, als hij
in Jena Griekse literatuur zou doceren. Hij was er goed op voorbereid, schreef
hij, waarbij hij zich meteen voor
zijn zelfverheerlijking excuseert. Hij wijst op zijn jarenlange studie van de
Griekse literatuur, die hem de ‘vrijheid’
heeft gegeven om zich de levende aanwezigheid van de verzonken periode, haar
‘geestesrijkdom’, eigen te ma-
ken en over te dragen, en haar te bevrijden van de ‘dienst van de letter’.
Dan volgen er zinspelingen op zijn in-
zicht in de essentie van het onderscheid tussen de klassieke en de tegenwoordige
cultuur, waar hij in de brief
niet verder op in gaat. Dat zal hij even later wel doen in een brief aan
Böhlendorff, waarin hij spreekt over de spie-
gelbeeldige verhouding van de beide ‘beschavingen’: het hellenisme was van
nature hartstochtelijk en leerde het
bedachtzame, terwijl onze beschaving van nature eerder bedachtzaam is en het
hartstochtelijke nog moet leren.’
(Bladzijde 212) Morgen verder met dit hoofdstuk 13.