Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 14
‘’Hij was lijkbleek, vermagerd, had holle wilde ogen, lang haar en een lange
baard en was gekleed als een bedelaar.’
De gestalte staat er als verstard bij en zegt niets. Op de bange vraag wie hij
is, klampt de vreemdeling zich met zijn
‘vieze, ongeknipte nagels’ vast aan de tafel, buigt zich voorover en mompelt
met een ‘doffe, spookachtige stem’: Höl-
derlin (Waiblinger, 296).
Vast en zeker een melodramatisch bewerkte scene. Maar ook de vrienden en
kennissen in Stuttgart schrokken van
het haveloze, verwaarloosde uiterlijk en de tekenen van uitputting en doffe
neerslachtigheid.
Aanvankelijk hield Hölderlin het maar een paar dagen in Stuttgart uit. Hij
trok verder naar Nürtingen, maar ook daar
bleef hij maar enkele dagen. Zijn moeder was geschrokken en hoogst verontrust,
want Hölderlin vertoonde, zoals Karl
Gok het zich later herinnerde, kennelijk ‘overduidelijke sporen van geestelijke
ontreddering’ (gecit. naar Chronik, 89).
Hij zat vol onrust, hij werd teruggejaagd naar Stuttgart, waar hij in de
creatieve zomer van 1800 in huize Landauer had
gewoond. Daar was Hölderlin op het moment dat op 30 juni de brief van Sinclair
met het nieuws over de dood van Su-
sette arriveerde.’
(Bladzijde 219-220) Morgen verder met dit hoofdstuk 14.