Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofstuk 14
‘De verheven beweging van het elementaire, in vergelijking daarmee de
trippelpas van het louter menselijke:
‘En de liefd’ ook hecht vlijtig haar ogen’ […]
De grondtrek is dus de beweging, het heen en weer van de getijden, vertrek en
aankomst, het onderweg zijn,
de lokkende verte. Niets blijft op zijn plaats, en de tijd stroomt. Als er toch
een moment van rust intreedt, gewenst
door het lyrische ik, dringt ook daar de beweging door als gesprek, waarin weer
de hele bewogenheid van de we-
reld wordt verwoord: ‘te horen veel/ Van de dag der liefde,/ en daden die
geschied zijn’. Bij zoveel gaan en vergaan
werkt de laatste regel als een triomf: ‘Maar wat blijft, dat schenken de
dichters’. Ze zijn het aandenken bij elk vertrek.
In het onafzienbare brengen ze samen het ‘schone der aarde’.
In zijn laatste jaren, in een tijd dat hij nog vol bij zinnen was, werd
Hölderlin steeds sterker gefascineerd door versla-
gen over grote ontdekkingstochten en avontuurlijke reizen naar verre landen.
Tijdens zijn tweede verblijf in Homburg,
toen hij de functie van landgrafelijke hofbibliothecaris uitoefende zonder te
hoeven werken, maakte hij in elk geval van
de gelegenheid gebruik in de daar rijkelijk voorhanden boeken over exotische
verten te lezen. In deze tijd maakte hij
ook een opzet voor een hymne over Columbus, die met de regels begint: ‘Wenste
ik een der helden te zijn/ En mocht
vrij […]/ […] het bekennen/ Dan was ik een zeeheld’ (MA I, 425; v. 1-4).’
(Bladzijde 229) Dit was hoofdstuk 14, morgen verder met hoofdstuk 15.