Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 15
‘Hölderlin woont sinds de zomer van 1802 weer bij zijn moeder in Nürtingen.
Hij was rustiger geworden, hij werkte
aan zijn vertalingen van Sophocles en Pindaros. Als er weer eens sprake was van
opkomende agitatie, werd de arts
erbij gehaald, of een bewaker, die soms de hele nacht bleef. Hij had weinig
contact, schreef amper nog brieven. Zijn
moeder zag het met zorg aan en bleef terughoudend tegenover Sinclairs
herhaaldelijk uitgesproken wens Hölderlin bij
hem thuis in Homburg op te nemen. Op devote toon schreef ze aan Sinclair dat de
toestand van haar zoon behoorlijk
hopeloos was. Hij zou alleen maar ‘lastig’ zijn, en zij wilde in geen geval
misbruik maken van de ‘edelmoedigheid en
vriendschap’ van zijn vriend. Anderzijds wist ze dat Hölderlins verblijf in
haar huis, waar zijn zus eveneens woonde, op
den duur ook niet erg zou helpen: ‘bij ons bangelijke vrouwen’ ontbrak het
Hölderlin aan bemoediging, ‘omdat we niet
in staat zijn hem te amuseren en af te leiden’. Ze merkt, zegt ze, dat het
vooruitzicht het komend voorjaar misschien
toch naar Homburg te reizen hem opmontert, daarom kunnen ze zeker wel aan het
plan vasthouden (20 december 1802;
MA III, 610 ev.).
In het jaar 1803 gingen er meer brieven tussen Sinclair en Hölderlins moeder
heen en weer. Sinclair dringt aan en de
moeder aarzelt. Sinclair waarschuwde dat Hölderlin niet behandeld mocht worden
als een krankzinnige, ook niet nalatig,
of met de beste therapeutische bedoelingen. Dat was zelfs het grootste gevaar.’
(Bladzijde 230) Morgen verder met dit hoofdstuk 15.