Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 16
‘En dat merkt Hölderlin, en daarom gedraagt hij zich op dat ogenblik bijna als
een verliefde. Ook nog de volgende
dag. ‘Ik sprak over de mooie en krachtig onder ons ruisende rivier en over de
mooie avonden, waarop hij zachtjes
voor zich uit mompelde: “Jij begrijpt me dus ook.” Hij spreekt iemand echter
nooit met “Jij” aan, maar spreekt enkel
voor zichzelf uit, wat hij denkt. Toen ik in zijn ‘Hyperion’ las, zei hij
voor zich uit: “Kijk er niet te veel in, het is kanniba-
listisch” (id.). Toen ik hem vroeg samen met mij op de sofa te gaan zitten, zei
hij: “In hemelsnaam niet, het is gevaar-
lijk”’ (id.). Ze lopen samen de kamer op en neer, Hölderlin kijkt Schwab aan
en zegt: ‘De baron is mooi.’ Misschien was
dat al te veel genegenheid, hij trekt zich nu in elk geval terug. Schwab
vervolgt: ‘Eindelijk, toen hij me met alle geweld
weg wilde hebben, zei hij zich voordoend als een gewone dwaas: “Ik ben
Onze-Lieve-Heer,” waarop ik, terwijl hij de
deur openmaakt, met een buiging afscheid nam’ (id. 668 ev.).
Dat zijn de belangrijkste getuigenissen uit die tijd, de belangrijkste bronnen
waaruit de brede stroom van de latere
theorieën over de ‘waanzin’ van Hölderlin gevoed werd. Maar het best en het
bondigst heeft meubelmaker Zimmer zich
uitgedrukt: ‘Hölderlin heeft geen vaste gedachte, hij zal zijn fantasie wel
ten koste van zijn verstand verrijkt hebben’ (St.A.
7,3, 134).’
(Bladzijde 255) Morgen verder met dit hoofdstuk 16.