Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 17
‘Voor Schwab en Uhland en de anderen die tezelfdertijd in Zwaben de
herinnering aan Hölderlin levend hielden,
was dat allemaal iets te overdreven, maar ze waardeerden de betrokkenheid van
Bettine, die ook enig aandeel had
in de totstandkoming van de eerste uitgave van de verzamelde gedichten van
Hölderlin in 1826.
De broer van Bettine, Clemens Brentano, behoorde, het is al eerder gezegd,
eveneens tot de vroege bewonderaars.
Hij noemde in 1814 ‘Hyperion’ een van de ‘voortreffelijkste boeken van ons
volk, ja, van de wereld’ (St.A. 7.2. 430) en
raadde Rahel Varnhagen aan om het te lezen. Ze had die aanbeveling overigens
helemaal niet meer nodig, want haar
echtgenoot had er tegenover haar al de loftrompet over gestoken. Ook de schrijver
Achim von Arnim behoorde tot de
vertrouwde kring van Hölderlin-bewonderaars. Hij spoorde in de ‘Rheinische
Merkur’ de vorsten aan om bij de herop-
richting van Duitsland na de bevrijding van Napoleon niet nog eens de fout te
maken de ‘heerlijke Duitse geesten’ geen
aanmoediging en ondersteuning te geven, en wees in dat verband op het voorbeeld
van Hölderlin: ‘Ook die heerlijke
geest moest in armoede tot waanzin verworden.’ ‘
(Bladzijde 258) Morgen verder met dit hoofdstuk 17.