Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 17
‘Geen wonder dat in dat tijdschrift ook Hölderlins gedichten werden afgedrukt.
In die jaren begon Hugo Höpner,
die zich ‘Fidus’ noemde, zijn zonaanbiddende naakte figuren te schilderen en
levenshervormende kolonies te
stichten. In die kringen werd Nietzsches ‘Zarathustra’ gelezen en ook –
Hölderlin.
Nog in het midden van de eeuw wilde de burgerlijke jeugd er oud uitzien. In
die tijd werd jeugd gezien als een
tekortkoming en het ‘leven’ als iets ontnuchterends, de jeugd moest door
schade en schande wijs worden. Maar
nu moest de ouderdom zich rechtvaardigen en stond onder de verdenking gevoelloos
en verstard te zijn. Een hele
cultuur, de wilhelminische, werd voor de ‘rechterstoel van het leven’
(Dilthey) ontboden en met de vraag geconfron-
teerd: leeft dat leven nog? In het kader van deze herwaardering van de
jeugdigheid werd Hölderlin omgeven met
het aureool van de mooie jongeling.
Met Jugenstil en levensfilosofie verbonden was een nieuw-religieuze beweging.
Men kon geen genoegen nemen
met de grote ‘onttovering’ door rationalisering en zocht een uitweg uit het
‘stalen omhulsel’ (Max Weber) van de mo-
derne tijd.’
(Bladzijde 264-265) Morgen verder met dit hoofdstuk 17.