Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 17
‘Tot die kring behoorde Norbert von Hellingrath, die tijdens de
voorbereiding van zijn dissertatie over Hölderlins
vertaling van Pindaros in de Stuttgarter Staatsbibliothek stuitte op delen van de
tot dan toe onbekende of wegge-
vallen nalatenschap en voor wie in een soort bekeringservaring het late werk, dat
hij er aantrof, een openbaring
werd.Het was het ‘bewijs voor het bijna ongelooflijke: dat ons kinderlijk ware
geloof nog de goden kan afsmeken,
dat de sage, een echt mythisch denken, onder ons laatgeborenen nog niet gestorven
is’ (Hellingrath, 60).
De in 1888 geboren Hellingrath had meteen na zijn ontdekking van het
handschrift van Hölderlin in Stuttgart in
november 1909 een afschrift van enkele Pindaros-vertalingen naar de bevriende
Karl Wolfskehl gestuurd, die ze
direct aan George deed toekomen, en George reisde naar München om de ook qua
uiterlijk aantrekkelijke jonge-
man te leren kennen. Een proeve van de Pindaros-vertalingen van Hölderlin
verscheen in 1910 in ‘Blätter für die
Kunst’, dat door de George-kring werd uitgegeven.
Aangespoord door George werkte Hellingrath nu aan een nieuw verzameld werk,
waarvan het belangrijkste deel
het vierde was, dat de late, tot dan toe ongepubliceerde, voor het grootste deel
fragmentarische hymnen bevatte.’
(Bladzijde 265-266) Morgen verder met dit hoofdstuk 17.