Weer verder met Peter Verhelst; ‘Mondschilderingen’
‘Je sloot de ogen en je stond aan de voet van een geschubde boom over een
helblauwe
zee uit te kijken, met de voeten in het hete zand. Terwijl je met een mes een
schijfje op je
tong legde, buitelden veelkleurige vogels over elkaar boven de schuimkoppen. Daar
stond
je, met die bizarre glimlach, met die ananas in de linkerhand en bracht je
denkbeeldige schijf-
jes naar de mond alsof je die vrucht voor het eerst proefde. Maar altijd stootte
iemand je – toe-
vallig of niet – aan en stond je opnieuw in je eigen schoenen op een druipend
marktplein in de
stad waar je ter wereld was gekomen. Je bloosde. Je keek vlug om je heen of
iemand naar je
keek, en maakte je ijlings uit de voeten. Even later stond je tegen een kniehoog
muurtje geleund
over het water uit te kijken.
Misschien is het correct dat wie geboren is in een stad die omringd is met water
dat ook in het
bloed draagt. Het water van de stad is donker en traag. Zegt dat iets over het
bloed van de in-
woners? Nee. We luisteren ononderbroken waar het zich bevindt, vandaar ons
stilzwijgen.’
(Bladzijde 12) Morgen verder met ‘Mondschilderingen’.