Weer verder met Peter Verhelst; ‘Mondschilderingen’.
‘Omdat er in een stad altijd wel iemand is die de slaap niet kan vatten of die
de sterrenhemel
boven de dag verkiest, stond er ook die nacht iemand aan een raam te kijken. Hij
fronste de
wenkbrauwen, drukte zijn neus tegen het ademwolkje op het glas en knipperde met
de ogen.
Toen zijn vrouw de volgende ochtend haar arm naar hem uitstrekte, voelde ze hoe
koud zijn
deel van het bed was. Ze vond hem aan de keukentafel met het hoofd in de handen,
en toen
ze hem bezorgd vroeg wat er was, kon hij onmogelijk de juiste woorden vinden.
Inbeelding,
dacht de man, hersenspinsels van een oververmoeid hoofd op zoek naar opwinding.
Maar hij
was niet de enige die een douche nam in de hoop zijn ogen schoon te spoelen. Al
die mannen
en vrouwen probeerden de dag door te brengen zoals ze dat altijd hadden gedaan,
hoewel ze
wisten dat hun slaap nooit meer dezelfde zou zijn.
Niemand wist wie of wat ze waren of waar ze vandaan kwamen. Niemand had enig idee
wat ze
van plan waren.’
(Bladzijde 9) Morgen verder met dit boekje ‘Mondschilderingen’.