Weer verder met Peter Verhelst; ‘Mondschilderingen’.
‘Een die zo slepend en weemoedig klonk dat je je op het dek van een
oceaanvaarder bevond.
Een stem die als een beweeglijke vlinder aan een vrouwenkeel ontsnapte en achter
je ribben
een windhoos ontketende. Een stem die noch van een vrouw, noch van een man kon
zijn, en
die een verlangen in ons liet oplaaien naar een ondraaglijke zuiverheid. Gevolgd
door een die-
pe stem die als een ingevette hand langs onze buik omlaag kroop en die we daar
uren later nog
konden voelen, terwijl we ons hoofd onder koud water helden. Na een tijd wisten
we waar we het
glas moesten houden om de gewenste stem te vinden. Maar de logica verschilde van
huis tot huis.
Het enige wat overeenstemde, was de koorts die ons aan onze muren bleef
kluisteren. De hoop.
Iedereen is op zoek naar die ene stem.
Na een tijd hadden we de glazen niet meer nodig. Het volstond om een vingertop op
een bepaalde
plek op de muur te leggen. Alsof we geleiders waren geworden. Een onophoudelijke
symfonie.’
(Bladzijde 22-23) Morgen verder met ‘Mondschilderingen’.