Weer verder met Peter Verhelst; ‘Mondschilderingen’.
‘Niet lang daarna zaten we zelf in ons eigen huis gehurkt, met een glas tussen
ons oor en
de muur, te luisteren. Alsof er een bijenzwerm in de holte tussen de stenen zat.
Het hoofd
tegen het glas tegen de muur. Ogen dicht. Oren spitsen. Ogen open. Één meter
verder.
Luisteren. Ogen open. Hoger. Op de toppen van de tenen. Ondertussen de vloer in
het oog
houden. Wie weet komen ze door een gat in het hout de kamer binnen. Één voor
één door
het gat. Brommend. Zoemend. Tegen het raam aan. Geklonterd. Wemelend. Je slaat je
han-
den voor je oren. Het raam. Almaar veranderend van vorm. Tot het de vorm aanneemt
van
een lichaam. Armen, benen, hoofd. Dat lichaam dat zich traag van het glas
losmaakt. Het ge-
zoem dat in jouw hoofd en buik begint te trillen. Met open ogen. Op je afkomend.
Je hoofd, je
armen, je benen, je buik. Een krioelend harnas dat door de knieën gaat. Je oren,
je mond, je
neus. Tot de keel gevuld. Verlangend naar de stilte. De oorverdovende stilte.
Het waren geen bijen die we hoorden, maar stemmen die zich achter de bakstenen
hadden
genesteld.
(Bladzijde 21) Morgen verder met ‘Mondschilderingen’.