Weer verder met Peter Verhelst; ‘Mondschilderingen’.
‘Daar was het dat twee armen plots onder die van mij schoven. Een lichaam dat
op mijn
rug kleefde als een kat. Een neus die mij inademde en een mond die woorden
uitademde.
Zo stond ik, bevroren, met opengesperde ogen en vingers, met die armen onder mijn
armen
en die buik tegen mijn rug. Toen ik het slapende kind eindelijk van mijn
schouders had gehaald
en achter me keek, zag ik de lichtgevende gezichten van een oude man en een
vrouw. Hun ogen
glansden. Arm in arm. De oude man zong luidkeels mee met de menigte, maar de
vrouw knipoog-
de naar me en het enige woord dat ik verstond was ‘zoeken’. Denk ik. Ik ging
op mijn tenen staan
en keek. Het was alsof ik in zee rondzwom op zoek naar die ene waterdruppel.
Het is een ongeschreven wet dat niemand overdag de Lac d’Amour betreedt. Maar
wat konden die
wetten mij schelen op de dag dat zelfs geronnen bloeddruppels weer tot leven
waren gekomen. Ie-
dereen bevond zich op het marktplein. Honden sprongen op tegen de ramen van de
verlaten huizen
toen ik langskwam. Af en toe keek ik over mijn schouder.’
(Bladzijde 27-28) Morgen verder met ‘Mondschilderingen’.