Weer verder met Peter Verhelst; ‘Mondschilderingen’.
‘Een feit was dat ik door de Lac d’ Amour waadde zoals iemand die verblind
wordt door dikke
rook. Panisch. Verbeten. Opgejaagd.
Ik hoorde een stem. Ik voelde aan mijn wangen dat ik glimlachte. Onmiskenbaar een
stem. Tot
ik besefte dat het mijn eigen stem was. Sommigen fluiten in het donker, sommigen
zingen en
sommigen praten. Ik liep met op- en neergaande armen rond als een vleermuis en
hoopte dat
de weerkaatsing van mijn stem en mijn oren me zouden helpen om dat ene, zachte
lichaam te
vinden dat mijn gezangen zou absorberen. Vruchteloos. Alles absorbeerde mijn
gezangen. Als-
of ik me in de buik van een immense vis bevond.
Niet alle verhalen liegen. De vis die me had opgeslokt, spuwde me ook weer
uit. Ik stond nog
met mijn ogen te knipperen tegen het harde daglicht, toen ik aan een vinger
meegetrokken werd.
Het meisje legde de vinger op haar mond en wees daarna naar het jongetje dat
met toegekne-
pen ogen bij een kniehoog muurtje zat.’
(Bladzijde 28-29) Morgen verder met ‘Mondschilderingen’.