Weer verder met Peter Verhelst; ‘Mondschilderingen’.
‘Af en toe viel een van ons in slaap.
Ik werd wakker van haar mond. Ik deed alsof ik sliep. Haar mond in mijn hals.
Uiterst voorzichtig
zoog ze de woorden uit mijn hals en ademde ze uit in haar handen. Liet ze tussen
haar vingers door
druppelen. Bond haar zakje dicht. Ging liggen met de rug naar me toe.
Ik legde een oor tegen haar hoofd en hoorde de woorden.
Daarna lag ik te luisteren naar de ademhaling van het slapende meisje.
De volgende dag wandelden we naar het marktplein. Onze geschenken in een mand.
Het gebouw
trilde in de zon. Mensen kwamen en gingen.
Één voor één namen we de geschenken uit de mand. Legden die nog even als
een schelp tegen
het oor. Maakten daarna de touwtjes los. De stemmen fladderden als vlinders op.
Ik kom vaak terug naar het gebouw. Je komt binnen en je gaat zitten. Je legt de
linkerhand waar je
rechterbeen overgaat in de heup.’
(Bladzijde 39-40) Morgen verder met ‘Mondschilderingen’.