Weer verder met Peter Verhelst; ‘Mondschilderingen’.
‘Soms liegt zelfs het wateroppervlak. Het beweegt naar links terwijl de
stroming je een andere
richting uit zuigt. De stad uit, de wereld in.
Een feit is dat de worteldraden niet meer uit mijn voeten komen, maar uit mijn
hoofd. Wild, on-
stuitbaar, alle kanten uit. Zich volzuigend met alles wat ze horen, ruiken, zien,
horen. Misschien
ben ik ontworteld, een boom die ondersteboven over de bodem van een rivier loopt,
in de hoop
zich eindelijk ergens te kunnen vestigen om er vruchten te dragen. Onzin. Ik trek
van lente naar
lente. Overal sta ik in bloei.
Maar soms voel ik een pijn in mijn voetzolen die lijkt op verdriet. Is het
fantoompijn? Heimwee?
Misschien trek ik zoals de vissen de wereld rond om ten slotte tegen de stroming
in terug naar
huis te springen. Om daar eindelijk op de bodem neer te kunnen liggen. Uitlopend
als een bloem-
bol. Omhoog. Naar het licht. Dobberend op het water als een kaars. Gevlekt als de
pels van een
kat. Dromend van een wijs- en middelvinger die me zullen losknippen en me naar
een huis zullen
dragen, naar een vaas die bleek en slank is als een hals.’
(Bladzijde 51-52) Morgen verder met ‘Mondschilderingen’.