Weer verder met Peter Verhelst; ‘Mondschilderingen’.
‘Om er alles uit te ademen wat ik heb gezien, gehoord, geroken.
Geloof je mij? Heb je een wijsvinger en een middelvinger?
Soms loop je gedachteloos op straat, gestuurd door je voeten. Je baant je een weg
door het
marktplein en bijna onmerkbaar raakt iets je arm aan – iets wat even zacht is als
een borst –
maar als je om je heen kijkt, is er niemand die net als jij blijft staan,
ondergedompeld in de
‘verbazing van die aanraking’. Even later grijp je naar een perzik en bloos
je als de verkoper
voor de derde keer een vraag stelt.
Ik heb haar gezien. Zij heeft mij niet gezien. Denk ik. Af en toe ga ik op de
toppen van zijn te-
nen staan om een glimp op te vangen. Ik weet niet hoe ze heet of waar ze woont.
Als ik denk
dat ze binnen handbereik is, lost ze op als sigarettenrook. Als ik thuis voor de
spiegel sta, glan-
zen mijn ogen alsof ik er belladonna in gedruppeld heb.
Ik zie haar overal. In de vouwen van de lakens, de oksels van de boomstammen, de
bloemen
die overal in het huis verspreid openbarsten, de perzik die in mijn hand ligt en
waar ik voorzich-
tig mijn tanden in zet.’
(Bladzijde 52-53) Morgen verder met ‘Mondschilderingen’.