Weer verder met Peter Verhelst; ‘Mondschilderingen’.
‘Ik kniel bij hem neer en buig over hem heen. Mijn wang boven zijn mond. Mijn
hoofd draaiend van
links naar rechts. Tot ik de eerste woorden voel komen: ‘Hij kon toveren door
aanwezig te zijn, niets
meer had hij nodig.’
Als ik slik, voel ik een vrucht onder de huid van mijn keel bewegen. Ik neem zijn
hand en leg die rond
mijn hals. Hij zal de vrucht omhoogduwen, mijn mond in. Zijn hand op mijn wangen.
Voelt hij de ruw-
heid ervan? Als de schil van een lychee. Is het daarom dat hij begint te
glimlachen?
Zijn vingers, die de woorden één voor één te voorschijn knijpen, sijpelend
over hem heen:’Hij kan to-
veren door aanwezig te zijn, niets meer. Zelfs als hij sliep. Hij stond aan het
raam met beide handpal-
men op het glas, ondergedompeld in die merkwaardige slaap, overgoten met
maanlicht, en ademde
rustig in en uit. Urenlang kon hij daar staan en urenlang mocht ik naar hem
kijken. Hij aan de ene kant
van het glas en ik in een kamer aan de andere kant van de straat. Hij met
gesloten ogen en ik met ogen
die aten en dronken. Dronken. Van hem.’ ‘
(Bladzijde 66-67) Morgen verder met ‘Mondschilderingen’.