Weer verder met Peter Verhelst; ‘Verhemelte’.
‘van geleidbaarheid: die geile bliksem
met uit fluisteringen bestaande gebaartjes, wegwerpgedachten;
suggereren ze streekplekjes, opgloeiende zuchten? Zijn
gezichtsscherf glimlacht, alsof hij iets
in zich draagt dat op mij licht te wachten, iets
dat zich vanaf zijn geboorte
in hem heeft ontwikkeld met mij in gedachten. Na elke kus
bestudeert hij zijn tong als een niet
in het lichaam thuishorend voorwerp
denk ik. Zo’n soortje. Iemand naast hem praat in een dictafoon
terwijl we blijven glimlachen. We voelen ons vergeven
van schoonheid; ook ik ben een Europese droom
trouw, verwekt met Sarajevo’s
vuurwerk aan de horizon. ‘Een jongen als ik
gumt woorden uit boeken uit verveling.’ (Een jongen trekt
een leren riem als een buigzaam zwaard uit zijn
broeksband. Het meisje met een lauw kloppend
semtexhart gaat een museum in
en begint hardop af te tellen, terwijl ze zich
tegen de dragende muur uitwrijft. Zingend’
(Bladzijde 6) Morgen verder met ‘Verhemelte’.