Weer verder met Peter Verhelst; ‘Mondschilderingen’.
‘ En dat ze, beschenen door de maan, schaduwen op de daken werpt? Schaduwen die
de vorm
aannemen van een jongen of een meisje die een arm om een jongen of een meisje
slaan, zich
over die jongen of dat meisje buigen en een mond op een mond leggen.
Wat denk je? Geloven of niet geloven? De laatste keer: hou het verhaal voor ogen
van de man
die alleen dat geloofde waar hij zijn vinger in kon leggen.
Waar is je vinger?
Hier is de vrucht.
’s Nachts stonden ze aan het raam
met maanhitte gezichten te kijken naar de hemel.
We streken neer, hurkten op de daken als katten.
We waagden de sprong en vielen
zoals een mond wil vallen open een andere mond.’
(Bladzijde 70-71) Dit was ‘Mondschilderingen’, morgen verder met
‘Verhemelte’ van Peter Verhelst.