Weer verder met Peter Verhelst; ‘Verhemelte’.
‘De stilte
daarna is er een die paars naar de keel stijgt, zo
mogelijk veroorzaakt door een metalen
draadje tussen de twee gehandschoende vuisten, leren handen
die uit een pak stromen; gelijkwaardig aan wat ik over mij
zag uitgieten vanmiddag, lam voor de spiegel, toegeeflijk,
en daarna bleek boven twee knielende meisjes uit torenend.
Eenvoud als deze laat geld smelten
tussen mijn vingers. Ze hadden hun monden
maar open te houden, mijn meisjes, hun ogen
neergeslagen. Ze naaiden. Ze hadden hun monden
vol spelden. Ze zetten de emmer tegen mijn keel
en goten het zwart over me uit. Dit pak
zuigt me op in de nacht, schildert me
achter een stuur, draagt me zoals beloofd
naar de deur. Waarachter ad nauseam een andere
deur. Slanke vingers, haarloze
armen strekken zich naar me uit. Warholpruik. Tegen de
verwachting in blijkt de jongen een jongen te zijn,
Maar dan wel een ‘jongen uit het leven.’ Een gewaarwording’
(Bladzijde 5-6) Morgen verder met ‘Verhemelte’.