Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 16
‘De psychiatrie stond als wetenschap nog in de kinderschoenen, en Autenrieth
zelf was in die begintijd een beginner.
Hölderlin is vermoedelijk de eerste geesteszieke patiënt geweest die hij in
zijn pas opgerichte kliniek opnam. Autenrieth
had zijn principes overgenomen van Johannes Christian Reil, de voorvechter van
een verlichte psychiatrie. Lichamelijke
tuchtiging wees hij af. Door ‘overreding en verstandelijke overwegingen’
moest de zieke worden genezen, of althans wat
‘beter’ gemaakt. Er was gedacht aan een ‘moreel dieet’ (St.A. 7.2, 363).
Als de patiënt niet meer aanspreekbaar was en
in razernij en geschreeuw verviel, werd er een leren masker ingezet, dat niet een
uitvinding van Autenrieth was, maar wel
met zijn naam verbonden is gebleven. Het masker, met uitsnijdingen voor de ogen
en de neus, werd over het gezicht heen
gebonden, de mond bleef achter een met zeeharen gevuld kussentje gesloten. Er
werd gedacht dat de patiënt op die wijze
gekalmeerd kon worden. De verlichte artsen lieten zich daarbij leiden door een
idee van Kant uit zijn praktische antropologie,
volgens welke de uiterlijke wellevendheid wel degelijk de innerlijke mens kan
verbeteren en er dus een weg van buiten naar
binnen is; waarom zou dan de uiterlijke kalmering van de gezichtstrekken door een
masker niet ook een innerlijke kalmering
kunnen bewerkstelligen? De inzet van het masker gold dus als een humane methode,
net als de inrichting van de zogenaam-
de ‘palissadekamer’.’
(Bladzijde 242) Morgen verder met dit hoofdstuk 16.