Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 17
‘Hellingrath bereidde dat vierde deel, dat een sensatie zou worden, in
1913-1914 in Heidelberg voor, waar George
hem naartoe had gehaald om hem in zijn buurt te hebben.
George was als gebiologeerd. De gebeurtenissen rond zijn verafgoding van de
knaap Maximilian Kornberger, ‘Ma-
ximin’, lagen nu tien jaar achter hem (1904, dood van Maximilian), en de echo
van die cultus klonk nog in 1907 in zijn
dichtbundel ‘Der siebente Ring’ na. Dat was dus allemaal nog zeer levendige
herinnering. George had zich in dat ver-
band nadrukkelijk als ziener-profeet geënsceneerd, en nu had hij in Hölderlin,
via Hellingraths ontdekkingen, een waar-
dige voorloper gevonden, meende hij. In Heidelberg, in die tijd het centrum van
Georges kring, werden in de winter van
1913-1914 in gezamenlijkheid de fragmenten gelezen die Hellingrath beetje bij
beetje aan het daglicht bracht, en in die
maanden schreef George zijn beroemde ‘lofrede’ op Hölderlin, die later
verscheen in ’Tage und Taten’, daarin overigens
vlak bij het ‘Voorwoord voor Maximin’, Georges gedenkschrift bij de dood van
de verafgode knaap. Hölderlin, aldus Ge-
orge, was naar de ‘bron van de taal’ afgedaald, had de diep verborgen Duitse
geest beroerd en daaruit kracht geput, en
hij was erin geslaagd die geest ‘uit barbaarse chaos en onbeheerst gewemel tot
hellenistische helderheid te zuiveren’
(George 2, 300).’
(Bladzijde 266) Morgen verder met dit hoofdstuk 17.