Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 17
‘In de Duitse openbaarheid hadden bij het uitbreken van de oorlog talrijke
intellectuelen, kunstenaars en geleer-
den de oorlog begroet en zich het ‘volk van Goethe’ genoemd. Die oproepen
waren gericht tegen de geallieerde
propaganda, waarin sprake was van de Duitse ‘Hunnen’ en van ‘Duitse
barbarij’. Hellingrath haakte in op de uit-
drukking ‘volk van Goethe’ en gaf met een andere benaming, het ‘volk van
Hölderlin’, aan het geheel een nieuwe
wending, die helemaal niets meer te maken mocht hebben met chauvinisme en
koppig-agressieve zelfhandhaving.
Het is niet het officieel overheersende, maar het ‘geheime Duitsland dat in
Hölderlin tot uitdrukking komt, verklaarde
Hellingrath. Hij nam die uitdrukking over van Wolfskehl, die hem voor het eerst
in 1910 met het oog op de George-
kring had gebruikt. Daar haakte Hellingrath dus op in en hij zei: ‘Ik noem ons
het “volk van Hölderlin”, omdat het diep
in ons Duitse wezen ligt dat zijn innerlijkste gloed eindeloos ver onder de
slakkenkorst, die zijn oppervlak vormt, alleen
in een geheim Duitsland aan de dag treedt; tot uitdrukking komt in mensen die op
zijn minst allang overleden moeten
zijn voordat ze gezien worden en weerklank vinden; in werken die altijd slechts
aan heel weinig mensen hun geheim
toevertrouwen en voor de meesten blijven zwijgen en voor niet-Duitsers
vermoedelijk nooit toegankelijk zijn; omdat
dit geheime Duitsland zo zeker is van zijn innerlijke waarde of zo schuldeloos
onbekend met zijn eigen betekenis dat
het zich in het geheel niet inspant om gehoord en gezien te worden.’
(Bladzijde 267-268) Morgen verder met dit hoofdstuk 17.