Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 16
‘Die was uitgevonden door Autenrieth om hevig tekeergaande patiënten niet te
hoeven insnoeren. De patiënt
kreeg een hele kamer tot zijn beschikking; de gevaarlijke delen, ramen, kachels
enzovoort waren afgezet met
palissaden van hout, een voorloper dus van de gecapitonneerde cel (vgl. Peter,
47).
Uit de patiëntendossiers wordt niet duidelijk of Hölderlin met die methoden
– masker, palissadekamer – te ma-
ken heeft gehad. In elk geval werd hij de eerste weken onder ’strenge
observatie’ geplaatst, geen messen en vor-
ken, alleen houten lepels, en niet luchten. Pas tegen het einde van het jaar werd
geadviseerd hem te laten wande-
len.
Hölderlins herinneringen aan het verblijf in de kliniek zullen waarschijnlijk
traumatisch zijn geweest, want telkens
als hij iemand tegenkwam die hem daaraan herinnerde, kon hij razend worden.
Zijn toestand werd niet beter. Althans, dat vertelt meubelmaker Ernst Zimmer,
die ‘Hyperion’ gelezen had – dat hem
‘buitengewoon goed beviel’ – en nu hoorde hij dat de door hem zeer
gewaardeerde schrijver in de kliniek was onder-
gebracht. ‘Ik heb Hölderlin in de kliniek bezocht,’ schreef Zimmer dertig
jaar later, ‘en had veel medelijden met hem om-
dat een zo mooie heerlijke geest te gronde moet gaan.’
(Bladzijde 242-243) Morgen verder met dit hoofdstuk 16.