Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 16
‘Omdat er in de kliniek verder met Hölderlin niets viel te beginnen, stelde
het hoofd Autenrieth me voor om Hölderlin
in mijn huis op te nemen, hij zou geen passender plek weten. Hölderlin was en is
nog steeds een grote natuurvriend
en kan vanuit zijn kamer het hele Neckardal en het Steinlacherdal zien. Ik ging
akkoord en verleende hem onderdak,
en hij is nu al dertig jaar bij me’ (St.A. 7.3, 134). Zimmer had het huis aan
de oever van de Neckar niet lang voordien
gebouwd, waarbij delen van de stadsmuur met een gerenoveerde toren waren
samengevoegd. In die toren, in een
kamer met een mooi panorama, werd Hölderlin ingekwartierd, en daar heeft hij de
tweede helft van zijn leven, zesen-
dertig lang, tot aan zijn dood gewoond. Er was een goede reden dat Zimmer juist
over die torenkamer spreekt, want
dat lichte vertrek met ramen naar verschillende kanten had precies de sfeer van
het opene waar Hölderlin zo van hield
en die er zeker toe heeft bijgedragen dat dit lange leven in de toren ondanks
alles toch leefbaar bleef. Een student, die
vijftien jaar na Hölderlins dood die torenkamer betrok, beschreef het uitzicht
van daaruit: ‘Het ene raam kijkt uit op de be-
koorlijke Neckar, die tussen wilgenstruiken door stroomt, op de vorstelijke lanen
erachter, waar enkele vriendelijke huizen
opduiken & het hele uitzicht is omkranst door de blauwe zoom van de wilde
bergweide’ (St.A. 7.2, 374).’
(Bladzijde 243) Morgen verder met dit hoofdstuk 16.