Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 16
‘De blik uit het andere raam gaat over de stadsmuren heen en langs de dicht
daartegenaan gebouwde huizen tot aan
de uitlopers van de Schlossberg. Daar keek Hölderlin op uit, elke dag weer. Hij
liep in zijn kamer op en neer en wan-
delde urenlang in de buurt van zijn huis heen en weer over een smal pad langs de
stadsmuur. Verder mocht hij niet
in zijn eentje, ook omdat de financiële ondersteuning door het consistorie
verleend werd op voorwaarde dat Hölderlin
altijd onder toezicht zou staan. Maar het kwam steeds weer voor dat studenten die
de torenbewoner opzochten hem
in de mooie jaargetijden meenamen naar de omliggende wijngaarden. Sommigen hebben
een onuitwisbare herinnering
aan die uren met Hölderlin behouden, bijvoorbeeld Wilhelm Waiblinger en Eduard
Mörike; en Hermann Hesse, wiens
grootvader Gundert de torenbewoner nog had gekend, heeft later een prachtig
verhaal geschreven over een van die zo-
merdagen met Hölderlin in de wijngaarden, getiteld ‘In Pressels Garten’.
Toen Autenrieth de zorg voor zijn patiënt aan Zimmer overdroeg, gaf hij hem
nog hoogstens drie jaar.’
(Bladzijde 243-244) Morgen verder met dit hoofdstuk 16.