Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 17
‘En hij was ervan overtuigd dat de ware dichters de verbinding moesten leggen tussen het volk en zijn goden:
Maar ons betaamt het, onder goddelijk onweer,
Gij dichters, met ontblote hoofden te staan,
Des Vaders straal, hemzelf, met eigen hand
Te vatten en het volk, in ’t lied
Gehuld, de hemelse gave te reiken.
(MA I, 263; v. 56-60)
Dat was een enorme ambitie, en voor de beste geesten van het Geheime Duitsland had Hölderlin die waarge-
maakt. Maar Hölderlin was ook geliefd bij anderen, die in de jaren twintig en nog fataler in nationaalsocialisti-
sche tijden Hölderlin tot een volks auteur misvormden. Alsof zijn gedicht over de ‘dood voor het vaderland’ niet
bedoeld was geweest voor een toekomstige Duitse republiek, het vaderland van de democratie. Alsof hij niet ge-
dacht aan het volk, dat ‘het schone mint, waar […] de eigendunk smelt, en vroom en groot zijn alle harten, en
geestdrift baart dan helden […]’ (MA I, 757; v. 18-22).’
(Bladzijde 269) Morgen verder met dit hoofdstuk 17.