Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 16
‘Hölderlin mocht in een vertrouwenwekkende sfeer leven. Ook de prijs voor
kost, inwoning en verzorging bleven
door de jaren heen bijna hetzelfde, rond 200 gulden per jaar, wat niet veel was,
als je bedenkt dat Hölderlin na de
dood van zijn moeder een vermogen had van ongeveer 10 000 gulden, waarop hij voor
een aanzienlijk deel eigen-
lijk vroeger al recht had gehad. Maar hij wilde niets meer weten van geld,
terwijl hij er vroeger zo onder had geleden.
Over het conflict over de erfenis tussen zijn halfbroer en zijn zus is hem nooit
iets verteld; hij werd eerder prikkelbaar
en woedend als zijn familie ter sprake kwam. Toen Karl Gok hem aan het begin van
de jaren twintig bezocht, herken-
de Hölderlin hem niet, of hij deed alsof.
Zimmer heeft vaak op Hölderlin moeten inpraten voordat deze eindelijk in 1812
bereid was zijn moeder te schrijven,
twee- tot driemaal per jaar, vormelijke, bijna woordelijk gelijke, hoffelijk
stijve en nietszeggende brieven, waarin hij dank-
te voor haar vermaningen en om nieuwe vroeg, zijn moeder een goede gezondheid
wenste en zijn eigen welbevinden be-
nadrukte, en haar altijd verzekerde dat ze niet hoefde te twijfelen aan zijn
trouw, liefde en gehoorzaamheid.’
(Bladzijde 244-245) Morgen verder met dit hoofdstuk 16.