Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 16
‘Eén keer in al die jaren sprak hij de wens uit iets aan zijn leven te
veranderen. Dat was toen hem op een dag ergens
in de jaren twintig het verlangen bekroop naar Frankfurt te gaan. Hij hield er zo
lang en zo hardnekkig aan vast dat hem
zijn laarzen werden afgepakt. Daarover ontstak hij in woede, en hij bleef
dagenlang in bed liggen. Frankfurt – dat was na-
tuurlijk Diotima. In de regel werd dat onderwerp gemeden, de bezoekers waren kies
genoeg om het niet aan te roeren.
Maar een van hen sneed het onderwerp toch aan en kreeg een opmerkelijk antwoord:
‘Ach, mijn Diotima! Praat u me niet
van mijn Diotima; ze heeft dertien zonen van mij op de wereld gezet: de een is
paus, de ander sultan, de derde keizer van
Rusland, enzovoort (hij telde op zijn vingers af). Daarna zei hij snel en in
volmaakt boeren-Zwaabs: “und wisset Se, wies no
ganga ist? Närret is se worden, närret, närret, närret”’ [‘en weet u
hoe het haar vergaan is? Ze is gek geworden, gek, gek, gek’]
(St.A. 7.3, 301).
Zimmer had voor zijn zoon een piano gekocht, en daar mocht Hölderlin ook op
spelen. En dat deed hij vaak, soms urenlang.
Het waren bekende wijsjes, maar meestal improvisaties, fantasieën. En hij zong
erbij.’
(Bladzijde 246-247) Morgen verder met dit hoofdstuk 16.